Landelijke Beroepscommissie Klachten - Uitspraken
Titel: Zorgovereenkomst in samenspraak met betrokkenen beëindigd
Soort zorgverlening: Verzorgingshuis
Categorie: Overig
Trefwoorden: uitspraak ongegrond, beëindiging zorg
Met betrekking tot de feiten neemt de commissie als vaststaand aan:
- Klager is op 31 januari 2008 vanuit een GGZ instelling komen wonen in het verzorgingshuis van de zorgaanbieder op basis van een ZZP3 indicatie. Op 20 februari is hij in verband met zijn psychische situatie teruggekeerd naar de GGZ instelling. Op 12 juni 2008 keerde klager terug naar het verzorgingshuis. Overdag ging hij naar de dagopvang in de GGZ instelling, maar hij werd daar weer opgenomen. Op 18 juni 2008 is het verblijf van klager in het verzorgingshuis beëindigd.
- Klager heeft een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder over het feit dat de zorgovereenkomst per 18 juni 2008 werd beëindigd, dat hij van deze beëindiging geen schriftelijke bevestiging heeft gekregen, dat de zorgaanbieder geen arts in consult heeft geroepen toen hij onwel werd.
- De klachtencommissie heeft de klacht over het niet schriftelijk vastleggen van de beëindiging van de zorgovereenkomst gegrond verklaard en voor het overige ongegrond.
De kern van de klacht in beroep:
- Klager volhardt in beroep in zijn stelling dat de zorgovereenkomst onrechtmatig is beëindigd. Zijn advocaat bevestigt dit, maar heeft dit standpunt tot nu toe niet schriftelijk aan hem bevestigd. Aan klager is niet duidelijk geworden waarop de zorgaanbieder heeft gebaseerd dat er geen indicatie meer was voor zijn verblijf in het verzorgingshuis van de zorgaanbieder. Ook heeft hierover geen gesprek met hem plaatsgevonden en is deze beslissing niet schriftelijk aan hem bevestigd.
- Klager heeft de indruk dat de reden dat de zorgovereenkomst werd beëindigd was het feit dat hij zich op 13 juni 2008 onwel voelde en de arts in de GGZ instelling vaststelde dat hij leed aan een hartritmestoornis.
- Er is geen indicatie gesteld voor verblijf in een GGZ instelling. Klager heeft klachten ingediend tegen psychiaters, die tot op heden niet behandeld zijn.
Verweer van de zorgaanbieder:
- Na de terugkeer van klager in het verzorgingshuis op 12 juni 2008 werd klager opnieuw opgenomen in de GGZ instelling. Op 18 juni 2008 heeft een gesprek plaatsgevonden met klager, zijn broer en schoonzuster, de zorgaanbieder en een psycholoog. In samenspraak is toen besloten dat verblijf in het verzorgingshuis voor klager niet meer haalbaar was. Klager stemde hiermee in.
- Aan het besluit tot opname van klager in een GGZ instelling moet een indicatie ten grondslag liggen. De zorgaanbieder is niet gerechtigd om deze op te vragen. Voor het overleggen van het gespreksverslag van 18 juni 2008 gaf klager geen toestemming.
- Het is niet gebruikelijk dat van een zorgbeëindiging een schriftelijk stuk wordt opgemaakt.
De commissie overweegt:
- Klager heeft ter zitting aangegeven dat hij zijn klacht beperkt tot het onrechtmatig beëindigen van de zorgverleningsovereenkomst met het verzorgingshuis van de zorgaanbieder.
- De commissie stelt vast dat de beslissing, dat er niet langer een indicatie was voor verblijf van klager in het verzorgingshuis van de zorgaanbieder en dat derhalve de zorgverleningsovereenkomst werd beëindigd, is genomen in samenspraak met alle betrokkenen. Dit betekent, alle belangen afwegende, dat deze beslissing rechtmatig is genomen.
- De vraag of er een indicatie werd aangevraagd voor opname in een GGZ instelling staat niet ter beoordeling aan de commissie.
CONCLUSIE: de commissie verklaart het beroep ongegrond.
